Deel 1 van de reeks over kleurbegrippen — Nederlandse Kleurenschool

Er zijn onderwerpen in ons vak waar je jaren over kunt leren. Metamerie, glansmeting, spectrale reflectie. Daar weet je van dat je het niet weet, en dus vraag je door.

Kleurbegrippen zijn het tegenovergestelde. Verzadiging, helderheid, diepte, tint — die woorden gebruikt iedereen dagelijks, en juist daarom vraagt niemand ernaar. Ze klinken te vertrouwd om te bevragen.

En dat is precies waar het misgaat.

Het is niet moeilijk, het is elementair

Een misverstand in een gevorderd onderwerp raakt één berekening. Een misverstand in de basisbegrippen zit in élke specificatie, élke beoordeling, élk overleg met een leverancier — en in elk lesuur dat erop volgt.

Je kunt er niet omheen bouwen. Alles wat je met kleur doet, loopt via de woorden waarmee je erover praat.

Dat de onderste laag instabiel is, is geen kwestie van slecht opletten. Het is gedocumenteerd, tot in de normen zelf.

Wat de normen erover zeggen

De terminologienorm merkt haar eigen conflicten aan. ASTM E284, de norm voor het beschrijven van voorkomen, geeft brightness vijf verschillende definities. Bij een ervan — het gebruik in de textielindustrie — zet de norm er een waarschuwing bij: die kan botsen met de definitie voor objectkleuren, en wel bij donkere kleuren.

De norm noemt een van haar termen zelf overbelast. Bij shade staat de opmerking dat het de meest overbelaste term is die in de kleurstoftechnologie wordt gebruikt om kleuren en kleurverschillen te beschrijven — soms zelfs als algemeen synoniem voor “kleur”.

En de norm schrijft voor in plaats van te beschrijven. E284 onderscheidt in zijn inleiding beschrijvende definities, die vastleggen hoe woorden nu eenmaal gebruikt worden, van voorschrijvende, die een uitnodiging zijn om een term op een bepaalde manier te gebruiken. De commissie kiest bewust voor het tweede en neemt daarmee een leidende positie in.

Die keuze maak je alleen als het gebruik niet eenduidig is.

Elke branche heeft eigen woorden voor dezelfde eigenschap

Roy Berns zet ze in een artikel uit 2014 naast elkaar. De ververij gebruikte in de jaren zestig zwakker–sterker en doffer–helderder. De verfindustrie sprak van witter–dieper en vuiler–schoner. Andere onderzoekers gebruikten weer bleekheid–diepte en dofheid–helderheid, en noemden veranderingen in verzadiging grijsheid.

Drie vocabulaires. Dezelfde twee eigenschappen.

Wie uit twee van die werelden komt en samen aan één project werkt, praat langs de ander heen zonder dat een van beiden het merkt.

Het overkomt ook de besten

In 2013 publiceerde Roy Berns, vanuit het Munsell Color Science Laboratory, een artikel waarin hij kleurdiepte als nieuwe grootheid invoerde.

Er kwam een ingezonden brief. De analyse klopte, schreef Danny Rich, maar was wat naïef voor een wetenschappelijk tijdschrift: de textielindustrie rekende al decennia aan kleurdiepte, en er waren al in 1988 definities over gepubliceerd.

Berns erkende het volledig. Als afgestudeerde in de textielwetenschap had hij het moeten weten, schreef hij, en hij sloot af met de opmerking dat zijn gezicht diep rood was.

Als twee tradities voor hetzelfde begrip zó lang naast elkaar kunnen bestaan dat een vooraanstaand kleurwetenschapper de ene over het hoofd ziet, dan is dit geen persoonlijk tekort. Dan zit het in het vak.

Wat het kost bij het kiezen van kleur

In ontwerpwerk merk je het pas achteraf.

Een klant vraagt om “meer verzadiging”. Dat kan betekenen: meer kleurkracht bij gelijke lichtheid. Of: dezelfde kleur donkerder maken. Twee verschillende recepturen, twee verschillende kostenplaatjes, twee volstrekt verschillende uitkomsten op de gevel.

Vraagt iemand om “helderder”, dan kan hij lichter bedoelen, feller, of schoner — en die laatste bereik je juist níét door wit toe te voegen.

Het uitgevoerde werk klopt dan met de opdracht en niet met de bedoeling. Niemand heeft een fout gemaakt, en toch moet het over.

Wat het kost in kleurtechniek

Aan de meetkant is het scherper, omdat er getallen bij komen.

Een bestek dat “verzadiging binnen tolerantie” eist zonder te zeggen welke grootheid en welke waarde, is niet toetsbaar. Een echtheidsuitspraak zonder vermelding van de kleurdiepte is onvolledig, want echtheid is diepte-afhankelijk. En een berekende diepte zonder vermelding van de formule is een leeg getal — er zijn er dertien, en ze geven verschillende uitkomsten.

Onderzoekers stelden bovendien vast dat het bestaan van al die formules gebruikers in verwarring brengt, en dat velen ze verkeerd toepassen.

Het gevolg is niet dat er verkeerd gemeten wordt. Het gevolg is dat de meting en het oordeel over verschillende dingen gaan.

Wat een begrip tot begrip maakt

Een vakterm is geen woord met een gevoelswaarde. Het is een afspraak: een naam, een definitie, een bron, en meestal een grootheid met een notatie.

Verzadiging is niet “hoe vol een kleur is”. Het is de mate waarin een kleur afwijkt van een neutrale kleur van dezelfde lichtheid, genoteerd als C*ab, vastgelegd in een norm.

Dat verschil is niet academisch. Zodra er een definitie en een notatie achter een woord staan, kun je erover meten, specificeren en discussiëren zonder dat er iets te raden valt.

De reeks

In de delen die volgen nemen we de begrippen één voor één door, telkens met dezelfde opbouw: wat het is volgens de bron, wat het betekent bij het kiezen van kleur, en wat het betekent in kleurtechniek en kwaliteitscontrole.

Licht of object — waarom hetzelfde kleurwoord twee dingen betekent, en waar de scheiding loopt tussen begrippen voor licht en begrippen voor oppervlakken.

Verzadiging, saturatie, chroma — drie woorden in omloop, twee grootheden, en niemand die vraagt welke.

Helderheid en lichtheid — één woord, vijf genormeerde betekenissen, waarvan de norm er zelf twee als botsend aanmerkt.

Kleurdiepte — één begrip, twee vakgebieden: een maat voor kleurstofsterkte in de techniek, een maat voor gewicht in het ontwerp.

Tint, shade, tone en nuance — de mengbegrippen, en waarom “verzadigde tint” een contradictie is.

Twee nieuwe gereedschappen voor je palet — diepte en vividness als bindende principes, naast gelijke kleurtoon, lichtheid en nuance.

Samenvatting: kleurbegrippen zijn niet het moeilijkste onderdeel van het vak, maar het meest elementaire — en juist daarom het minst bevraagd. Dat de terminologie versnipperd is, blijkt uit de normen zelf, uit de vakliteratuur en uit de geschiedenis van het vakgebied. De kosten daarvan vallen in ontwerp en in kwaliteitscontrole, en ze zijn met afspraken te voorkomen.


Kleurbegrippen liggen onder elke opleiding van de Nederlandse Kleurenschool. Ze komen terug in Kleurkunde/Kleuradvies, Kleurvormgeving, Kleurbeoordelen, Kleur Maken en in de online cursus Toegepaste Kleurtechniek I — omdat je zonder eenduidige begrippen kleur niet kunt adviseren, ontwerpen, beoordelen of formuleren.


Bronnen

  • ASTM E284-22, Standard Terminology of Appearance. ASTM International, commissie E12 (Color and Appearance), subcommissie E12.01 (Terminology). Voor de inleiding over voorschrijvende definities, de vijf betekenissen van brightness met de conflictwaarschuwing, en de toelichting bij shade.
  • Roy S. Berns, Extending CIELAB: Vividness V*ab, Depth D*ab, and Clarity T*ab. Color Research & Application 39(4):322–330, 2014 (online 2013). DOI 10.1002/col.21833. Voor het overzicht van de branchevocabulaires.
  • Danny C. Rich, Letter to the Editor — On Depth and Brightness, met antwoord van Roy S. Berns. Color Research & Application 39:636–637, 2014. DOI 10.1002/col.21917.
  • Hongying Yang e.a., Investigation on new color depth formulas. Color Research & Application 44(5):730–739, 2019. DOI 10.1002/col.22407. Voor de dertien formules en de constatering over verkeerd gebruik.
  • CIE S 017:2020, ILV: International Lighting Vocabulary, 2e editie.

Over de auteur

Kleurenschool

Docent aan de Nederlandse Kleurenschool met jarenlange expertise in kleurtheorie, kleuradvies en kleurvormgeving. Gepassioneerd over het delen van kennis en het begeleiden van studenten in hun kleurkundige ontwikkeling.