Deel 2 van de reeks over kleurbegrippen — Nederlandse Kleurenschool
Je kiest met een klant een kleur op het scherm. Een week later ligt het monster op tafel en klopt er iets niet — terwijl de code klopt en de meting binnen tolerantie valt.
De reflex is om naar de kalibratie te wijzen. Maar er ligt een laag onder, en die zit in de taal. Kleurbegrippen zijn niet in één wereld gedefinieerd maar in twee: er is een woordenlijst voor licht en een voor objectkleuren. Ze gebruiken deels dezelfde woorden, en bedoelen daar niet hetzelfde mee.
Twee normen, twee vertrekpunten
De CIE geeft het International Lighting Vocabulary uit. De naam zegt het: het vertrekpunt is licht, en kleur wordt daarbinnen behandeld.
ASTM geeft E284 uit, Standard Terminology of Appearance, beheerd door commissie E12 voor Color and Appearance. Het vertrekpunt daar is hoe dingen eruitzien. De norm dekt uitdrukkelijk zowel materialen — gewoon, fluorescerend, retroreflecterend — als lichtbronnen, beeldschermen inbegrepen.
E284 is bovendien voorschrijvend bedoeld. De norm onderscheidt in zijn inleiding beschrijvende definities, die bestaand gebruik weergeven, van voorschrijvende, die een uitnodiging zijn om een term op een bepaalde manier te gebruiken. E12 kiest voor het tweede.
De scheidslijn staat in de definities zelf
Nergens is dat duidelijker dan bij twee begrippen die in het Nederlands allebei “helderheid” kunnen heten.
Brightness is in E284 het aspect van waarneming waardoor een vlak meer of minder licht lijkt uit te stralen.
Lichtheid is het attribuut waarmee een niet-zelflichtend lichaam wordt beoordeeld op hoeveel licht het terugkaatst.
Uitstralen tegenover terugkaatsen. Zelflichtend tegenover niet-zelflichtend. De norm trekt de grens in de definitie zelf, niet in een toelichting.
Datzelfde onderscheid loopt door tot in het bijvoeglijk gebruik. “Licht” als in lichtgroen verwijst volgens E284 naar de kleur van een niet-zelflichtend lichaam met een hoge lumineuze reflectiefactor. Voor een lamp zou die formulering niet kloppen.
E284 geeft lichtheid nog een tweede definitie: het attribuut waarmee een waargenomen kleur wordt beoordeeld als gelijkwaardig aan een grijs uit een reeks van zwart naar wit. Dat is de grijsschaal die je in NCS en Munsell terugziet.
En bij chroma staat de objectwereld letterlijk in de definitie: het gaat om een waarnemingsattribuut dat wordt voortgebracht door een objectkleur.
Bij het kiezen van kleur
Vrijwel elke kleurbeslissing in interieur, exterieur en productdesign wordt genomen op een zelflichtend scherm en uitgevoerd in een niet-zelflichtend materiaal. Je kiest in de ene wereld en levert in de andere.
Dat is niet alleen een kalibratieprobleem, het is een begrippenprobleem.
Op een scherm regel je brightness — de lichtafgifte van het paneel. Dat heeft geen tegenhanger in een verfrecept. De brightness van een gevel kun je niet verhogen. Wat je daar kunt veranderen is lichtheid, en dat is een eigenschap van het materiaal.
Dezelfde verwarring zit in RGB. Rood, groen en blauw horen bij optellend licht. Ze zeggen niets over wat er in een pot verf gaat, waar het mengen aftrekkend verloopt.
Drie praktische gevolgen. Neem de definitieve beslissing op materiaal, niet op scherm — het scherm levert een voorstel, geen besluit. Beoordeel op formaat, want tien bij tien centimeter gedraagt zich anders dan een gevel. En leg de keuze vast in objectkleurtermen: een code met L*, C* en h, niet in schermwaarden.
In kleurtechniek en kwaliteitscontrole
Aan de meetkant is de scheiding scherper, en juist daar botst het met de ontwerpkant.
Een spectrofotometer meet objectkleur. Hij meet reflectie, betrekt die op een perfecte diffusor en rekent daaruit L*, a*, b*. Elk getal op je rapport hoort bij de objectwereld.
Krijg je een specificatie binnen in schermtermen, dan heb je geen tolerantieprobleem maar een vertaalprobleem. Een RGB-waarde is geen objectkleurspecificatie: hij hangt af van kleurruimte, profiel en weergaveapparaat.
Twee regels volgen daaruit. Aanvaard alleen specificaties in objectkleurtermen — een code uit een collectie, of L*C*h met toleranties. En leg de meetcondities vast, niet alleen de waarden: geometrie, illuminant en waarnemer horen bij het getal. Zonder die drie is L* 45 geen afspraak maar een indruk.
Maak je beeldschermen als product, dan zit je in de lichtwereld en heb je lichtbegrippen nodig. E284 dekt die ook, maar met andere definities. Ze door elkaar gebruiken in één bestek levert een document op dat niet toetsbaar is.
Wat je hiermee kunt
Stel bij elk kleurbegrip dat je gebruikt eerst één vraag: gaat dit over licht of over een object? Het antwoord bepaalt welke definitie geldt, welke norm je aanhaalt en welke ingreep bij een correctie hoort.
Dat is eenvoudig. Het scheelt alleen wel het grootste deel van de kleurdiscussies die op een misverstand berusten in plaats van op een echte afwijking.
Samenvatting: kleurbegrippen zijn in twee werelden gedefinieerd — één voor licht en één voor objectkleuren. E284 trekt die grens in de definities zelf: brightness gaat over uitstralen, lichtheid over het terugkaatsen door een niet-zelflichtend lichaam.
Kleurbegrippen liggen onder elke opleiding van de Nederlandse Kleurenschool. Ze komen terug in Kleurkunde/Kleuradvies, Kleurvormgeving, Kleurbeoordelen, Kleur Maken en in de online cursus Toegepaste Kleurtechniek I — omdat je zonder eenduidige begrippen kleur niet kunt adviseren, ontwerpen, beoordelen of formuleren.
Bronnen
- ASTM E284-22, Standard Terminology of Appearance. ASTM International, commissie E12 (Color and Appearance), subcommissie E12.01 (Terminology). Gebruikte ingangen: brightness, lightness, chroma, light (adj), related color. De lichtheid-definities verwijzen naar ASTM D1535 en D16 als herkomst.
- CIE S 017:2020, ILV: International Lighting Vocabulary, 2e editie. Commission Internationale de l’Éclairage. Termen vrij raadpleegbaar via de e-ILV.